Féderico Bahamontes

Op 24 oktober 2002 stond ik voor het eerst vlakbij hem. Het was de presentatie van de honderdste Tour de France in Parijs en de organisatie had alle nog levende winnaars uitgenodigd. Op Roger Pingeon na waren ze er allemaal en ik stond samen met mijn goede collega Peter Ouwerkerk op drie meter afstand ván Féderico Bahamontes.

Op drie meter van een legende, een man die ik in mijn plakboeken van weleer beschreven had, misschien wel de beste Tour-klimmer ooit.
En zoals hij daar stond: een vlotte zeventiger, smaakvol gekleed en vooral vriendelijk en open voor iedereen die hem benaderde. Handtekening: geen probleem; samen op de foto: maar naruûrlijk. Waar Lance Armstrong een opgejaagde indruk maakte en Jan Ullrich probéérde aardig te zijn voor omstanders, wás Bahamontes dat.
Hij, de man die in zijn debuutjaar (1954) de stunt uithaalde door op de top van de Galibier (en daar kan je Onze Lieve Heer zowat een hand geven) rustig een ijsje te gaan staan eten en te wachten op zijn achtervolgers, was een en al beminnelijkheid.
Wat prachtig, bedacht ik me daar toen, dat je zo gracieus oud kunt worden, dat je zo'n rust kunt uitstralen en ook met zoveel waardigheid door anderen behandeld wordt.
Bahamontes ken ik van de film. Van zijn onvoorstelbare cavalcades naar bergtoppen, van zijn tempoversnellingen die niemand aankon, van zijn onvermogen een goede tijdrit te rijden en van het feit dat hij in 1959 de Tour won door samen met Charly Gaul, de eveneens gevleugelde Luxemburger, de gehele Franse ploeg (Bobet, Rivière, Anquetil, Geminiani, Darrigade, Stablinski) de vernieling in te rijden.
En ik herinnerde me Bahamontes ook nog van een feit dat sinds de jaren zestig in mijn geheugen gegrift staat: hij werd ooit beboet (roo Zwitserse francs) omdat hij, let wel, 'al fietsend in het langs de kant toekijkende publiek had gepiest'. Nee, dat is niet gentlemen-like, zulk gedrag staat haaks op het beeld dat de man me nu in Parijs geeft, maar navraag bij oud-coureurs leert me dat de Adelaar van Toledo niet voor zulke stoten terugdeinsde.
In zijn jaren, en dat waren er heel wat want hij stopte pas op 37-jarige leeftijd met koersen, was hij een der grote meneren van het peloton. Hij stapte tienmaal op in de Tour (tussen 1954 en 1965), won in 1959 (op v-jarige leeftijd) de Tour en werd derde in 1964. Een jaar later stapte hij af, op weg naar Ax-les-Thermes toen bleek dat hij niet meer met de beste klimmers meekon.
Julio Jiminez, een andere Spanjaard, overvleugelde hem volkomen, won de bergprijs en Bahamontes, in het shirt van Margnat-Paloma-Inuri (met ploeggenoot Ab Geldermans) stapte van zijn fiets, trok zijn koersschoentjes uit en wierp die met een boog van zich weg: het einde van een waanzinnige loopbaan.
En over schoeisel gesproken: Bahamontes kwam de internationale wielerwereld binnen en verbaasde iedereen door op espadrilles te koersen. Die zaten immers beter dan de dure koers schoenen van de heren profs.
In Parijs kijk ik naar zijn schoenen. Mooie, handgemaakte, bruine loafers. Spaans fabrikaat, echte mannenschoenen. Ik ben opgewonden dat ik zo dicht bij deze legende sta, gek maar waar.