Gilbert Duclos- Lasalle

'Let op... brandgevaar!' riep mijn kompaan Jean Nelissen als Dudos- Lasalle dicht in de buurt liep. Het was vlak na zijn verbazingwekkende bijna-etappezege in de Pyreneeën. Natuurlijk kan een mens boven zichzelf uitstijgen en zelfs even engel worden of piloot of zweefvlieger, maar hier op een hoge Pyreneeëntop zomaar bijna een etappe winnen? Nooit.

Vandaar dat Gibbus, zoals zijn bijnaam luidde, nogal wat verdachtmakingen op zijn schouders nam, nadat Laudelino Cubino hem op het laatst achtergelaten had. Hij, idool van de Franse vrouwelijke wielerfans, was tweede geworden in een dodelijk zware bergrit. Wonderen bestonden.
Hij, als non-grimpeur, was alleen vooruit en bleef daar, urenlang, tegen een aanzwellend groepje karakter dat wel kon klimmen. Maar de man met de vierkante kin en de look van een playboy aan de Cote d'Azur boog niet, verhevigde zijn beenritme en werd alleen door Cubino voorbijgereden in een van de zwaarste etappes van de Tour van dat jaar.
Het mooiste moment dat ik van hem meegemaakt heb in al die jaren La Grande Boude (hij deed dertienmaal mee, viel vier keer uit) vond plaats in 1993. Alain Delon bezocht de Tour en wist na afloop van de etappe even niet wat te doen. Na de finish wordt er opgeruimd en is er geen plaats meer voor pronken of showen bij de eindstreep.
Delon koos het wiel van Duclos- Lasalle en ik zag een film. De coureur op leeftijd met zijn hanige, viriele blik, samen met de acteur die de Franse man kloten had gegeven op het filmdoek. Twee rasversierders die samen opliepen, die kletsten en lachten.
Als ze iets zeiden, deden ze dat dicht bij elkaars oor. Nee, ze raakten elkaar niet aan, maar het scheelde niet veel: ze waren brothers in arms.
Waarover hadden ze het? Over de etappe? Nee toch. Over de twee ronde-missen die op enige afstand bleven dralen omdat ze wisten dat er over hen gesproken zou gaan worden. Delon en Duclos liepen langs de dames, zonder ze te bekijken, en pas na vijf meter draaiden beiden zich plots om: 'Bonjour.' Het spel was al gespeeld voordat er een woord was gevallen. Score.
Duclos is altijd een ware Don Juan op de fiets geweest. Zijn faam lag op de keien tussen Parijs en Roubaix, maar in de Tour reed hij mee omdat het hoorde. Een held hoorde in de maand juli zichzelf uit te putten langs woeste ravijnen en de boorden van de Marne. Duclos deed dat en koos zijn dagen uit. Hij kon meer dan hij liet zien en presteerde het één keer, na de afzink van de Marie Blanc, om zichzelf uit de welgevulde kopgroep te laten terugzakken toen zijn kopman, de Amerikaan Greg Lemond, op te grote achterstand gereden dreigde te worden.
Duclos- Lasalle hoorde de mededeling, draaide zijn fiets resoluut om en reed tot verbazing van alle volgers terug, de koers tegemoet, richting peloton waar hij balend plaatsnam, Lemond opmonterde, de Amerikaan op sleeptouw nam en schijnbaar moeiteloos het gat naar de koplopers dichtreed.
Kijk, dat zijn stoten die alleen grote renners kunnen uitvoeren. Ondanks zijn beperkingen was Duclos toch een tamelijk groot renner.
Hij ging niet voor etappes (op die befaamde Pyreneeëndag na toen hij de geest moet hebben gehad en toen hij als een bezetene kon klimmen) of voor hoofdprijzen. Zijn hoogste rangschikking was achtentwintigste, behaald in 1981.
Hij was een goede ploegmaat en genoot van zijn bekendheid. Iedere dag werd hij wel ergens geïnterviewd, er liepen altijd wel mensen om hem heen. Door zijn oogstrelende zeges in Parijs- Roubaix had hij zijn naam en faam gevestigd en lag zijn prioriteit niet bij het korte-plaatsenrijden in de Tour.
Pas op het laatst van zijn loopbaan zag ik zijn echte rol: hij was aanwezig, hij was er om naar te kunnen kijken, om zijn naam te horen fluisteren door de dames langs de kant. Dat is een kwaliteit van jewelste.