Harm Ottenbros

Een gesprek met Harm Ottenbros nu is niet simpel. De in 1943 geboren ex-coureur neemt niet iedere vraag zomaar voor lief Sterker nog: hij hoeft niet zo nodig over zijn verleden te praten. Dat was toen, hij leeft in het nu en wat de toekomst zal bieden? En al die journalisten willen toch alleen maar weten of hij die wereldtitel gekocht heeft en ofhij ook doping gebruikt heeft in zijn wielercarrière. Als men hem nu nog eens wil interviewen is dat, zo vindt hij, vanwege de sensatie en niet om substantiële zaken van de sport die hem ooit naam gaf'.

Ottenbros heeft moeilijke tijden gehad, heeft de zelfkant van het leven behoorlijk leren kennen, maar komt er nu, bijvoorbeeld via het beeldhouwen, weer aardig bovenop.
Het wielrennen bracht hem een nooit gedachte maar daarom ook moeilijk te hanteren reeks gevoelens op. De kleine sprinter van de Willem II-ploeg werd wereldkampioen tegen alles in: hij zou niet genoeg naam hebben de regenboogtrui te kunnen dragen en in grote koersen werd hij niet geaccepteerd door de heersende kaste binnen het peloton. Zelden heeft iemand zo weinig echt plezier van zijn regenboogtrui gehad; zeker in België, het grote wieIerland toen, werd hem de trui misgund.
Weinigen weten dat hij in de Tour tot tweemaal toe angstig dicht bij een etappezege is geweest. Misschien, zo heb ik wel eens gedacht, hadden die twee vlijmscherpe sprints die hij in 1969 reed, hem een totaal andere renner en een ander mens gemaakt als hij erin geslaagd was in Bordeaux en in Montargis te winnen in plaats van tweemaal tweede te worden. En dan tweede op centimeters van De Grote Winst.
Op weg naar Bordeaux rekende Ottenbros zich rijk. Rondkijkend in de goed draaiende kopgroep wist hij dat hij de beste sprinter van het spel was. Niemand van de volgers twijfelde daaraan en ook de andere koplopers wisten het. Was het overmoed dat hij veel te vroeg de sprint inzette en op kop kwam? Hij weet het na al die jaren niet meer precies, hij herinnert zich hard van kop af vertrokken te zijn. De Brit Barry Hoban flitste, vlak voor de streep, langs de Adelaar van Hoogerheide, die, zo vonden de mensen die de sprint gezien hadden, bepaald niet tactisch sterk had gereden. Hij had zich in die rondgang door Frankrijk al eerder in sprints gemengd, net zoals hij dat in zijn eerste Tour het jaar ervoor gedaan had. De lichtgewicht had een gedurfde, scherpe sprint, ook na de nodige kilometers, maar tot winnen was het nog niet gekomen. Vierde en zevende, ja dat lukte Ottenbros, veelvuldig zelfs, maar nu had hij de kans op een zege mooi laten liggen.
Zijn revanche kwam drie dagen later. Na een zeldzaam lange etappe van bijna 33° kilometer bood een tiental koplopers zich aan voor de sprint. Ottenbros liet zich in de laatste twee meter weer verrassen, nu door de niet echt snelle Belg Herman van Springel, en weer sloeg de twijfel en ook de onvrede toe. Met een beetje meer tactisch inzicht had hij in vier dagen tweemaal kunnen winnen en had hij naam kunnen maken in 'swerelds grootstewielerfeesten was zijn wereldtitel van een dikke maand later niet zo'n denderende verrassing voor de wielerwereld geweest.
Ottenbros verscheen nog één keer in de Tour, maar kreeg nooit meer de kans om groots te winnen. In de trui van de wereldkampioen werd er meer op hem gelet en hij reed in een ploeg die op het punt stond uiteen te vallen, waardoor de renners maar besloten ieder voor zich te gaan rijden. Een aantal jaar later liet hij de wielersport voor wat die was en wachtte hem een groot, zwart gat. Hij zit tegenwoordig weer op de fiets en wil, zo heel soms, nog wel eens op de vertelstoel plaatsnemen.
En toeval of niet, maar hij reed tweemaal de Tour uit, en beide keren werd hij 78ste in het eindklassement. Beide Tours werden gewonnen door Eddy Mercloc.
Ooit vroeg ik Merckx ofhij zich Harm Ottenbros kon herinneren. De grootmeester zei: 'Die was rap, heel rap,' en liet het bij die karakterisering.