Henk Faanhof

Het moet een van mijn meest louterende momenten in de wielersport geweest zijn: een ochtendbezoek aan de toen bijna 80-jarige Henk Faanhof. Het was in de Westerstraat in Amsterdam; authentieker kan dus niet.

En de krasse baas vertelde over zijn Tour-ervaringen en ik luisterde, bijna versteend. Hij had dagen door mogen en kunnen gaan, zo mooi, zo helder, maar soms ook zo wollig.
Herinneringen van oud-renners worden, zo denk ik wel eens, per decennium een streepje mooier. En hij liet ook zijn plakboeken zien; stille getuigenissen van een groots verleden op de fiets. Ongekend, zelfs mystiek en ver voorbij het romantische.
Faanhof moet een beer van een coureur geweest zijn; groot en sterk en voor de duivel niet bang. Hoe was het vol de afdalingen in te gaan? Lachend: 'Een ervaring, ik had het nog nooit gedaan, maar je moet wel, anders kom je niet beneden.'
In zijn eerste Tour, die van 1951, had hij heel veel pech. Het materiaal van de Nederlandse ploeg was bedroevend en steeds weer brak er iets van zijn fiets. 'Maar weet je wat me ook gebeurt?' vraagt hij lachend. Ik kijk hem aan. 'We komme een bocht door, ik meen op weg naar Limoges. Ik val en ik lig boven op een andere renner. Die vloekt wat en staat op... laat ik daar nou boven op Fausto Coppi gelegen hebben. Die werd in die Tour nog tiende en een jaar later won ie. Ik stapte een dag later af. Met mijn gewicht was ik niet voor de bergen gemaakt. Wat ik toen woog? Misschien wel 88 kilo, zoiets geloof ik. Die ldimmers waren vijfentwintig kilo lichter, daar was geen beginnen aan.'
In 1952 werd Faanhof op weg naar Bagnères-de-Bigores door een volgwagen van zijn fiets gereden. Nadat hij met kracht wat verbogen had aan zijn fiets was hij weer opgestapt en had hij met een aanlopend wiel de etappe uitgereden, puur op karakter. Nadenkend: 'Ik heb die dag wel vier uur alleen gereden... niemand op de weg, alleen ik zei de gek en ik ben maar doorgegaan want ik moest toch bij de finish wezen, daar lagen mijn spullen. Kwam ik te laat binnen, maar de jury vond dat ik me goed verdedigd had en ik mocht de volgende dag weer opstappen. In Parijs werd ik nog derde in de sprint, dus zo heel kapot was ik ook niet. Sprinten in een groep kon ik wel, ik was voor niemand bang.'
Zijn jour de gloire kwam in 195+ In Bordeaux klopte hij een serie scherp sprintende opponenten, allen mannen met Tour-ervaring. Faanhof: 'Ik weet nog Lauredi, de Fransman, twee Zwitsers, Graf en Clerici en natuurlijk Hendrickx, een rappe Belg. Maar ik had ze liggen, dat was mijn grootste moment in de Tour... ik won een etappe. Weet je eigenlijk hoelang die etappe toen was?' Hij kijkt me door zijn brillenglazen aan, wacht om de spanning te vergroten en ik denk.
Wat moet ik zeggen? Tweehonderdvijftig kilometer? Langer? Ik haal mijn schouders op. Hij spreekt de woorden langzaam uit: 'Drie-honderd-en-vijftig kilometer... dat was nog eens een dagje werken nietwaar, dat was in die dagen heel gewoon. Nu kijk ik wel eens naar de televisie en zie dat een etappe 136 kilometer is. Dat was voor ons warmrijden.'
Ook in zijn laatste jaar (hij reed slechts driemaal de Tour) werd hij derde in de afsluitende sprint in Parijs. Hij lacht het toeval weg: 'Ik zat in het wiel van Fred de Bruyne en daar kon ik niet overkomen. Aan de andere kant reed Varnajo, een onbekende Fransoos; niemand had met hem rekening gehouden en die wint toch zeker.'
Uit die laatste Tour vertelt hij nog een verhaal. 'Weet je wie daar toen wel eens in een groepje bij me reed? Bahamontes... wisten wij veel. Was een jonge Spaanse renner. Vijf jaar later werd ie winnaar van de Tour. In ' 54 klom ik wel eens met hem mee. Niet te lang natuurlijk, maar ik probeerde het wel.'
'Had u de Tour ooit willen missen?' vroeg ik retorisch. De oude, prachtige baas keek me lang aan: 'Voor geen geld van de wereld. Wat ik daar allemaal meegemaakt heb... je bent geen renner als je de Tour niet uitgereden hebt, neem dat nou maar van mij aan. De Tour de France is Het Leven, met alles erop en eraan. Vergeet dat nooit.'