Jacques Anquetil

Ik zag hem alleen fietsen op de film. In de Cineac in de Reguliersbreestraat in Amsterdam. Alleen dat beeld al vervulde me van denderende nieuwsgierigheid. Die ietwat afwezige, mooie man. Dat James Dean-achtige haar dat altijd goed zat. Die glimlach: minzaam en zeker. Die houding van totale controle.

Later, veel later, maakte ik hem als collega mee, vijf meter van me vandaan zat Jacques Anquetil, een der onsterfelijken. Hij was co-commentator, maar deed dat niet goed, hoorde ik. Hij verloor zichzelf wel eens in moeilijke woorden, hij construeerde vreemde zinnen en was voor de microfoon lang niet zo duidelijk als hij op de fiets was geweest.
Anquetil was een buitengewoon mens. Hij kleedde zich sober maar smaakvol, met oog voor detail. Hij karnde zijn haar opvallend veel en droeg vaak laarsjes. Bij warm weer deed hij een nat gemaakte, rode doek om de nek; opvallend en grappig. Hij was op ons podium vriendelijk en voorkomend en vertelde soms wel eens uit zijn verleden.
Over zijn winst in 1961 bijvoorbeeld, toen ik daarnaar vroeg. Hij had de Ronde van Italië moeten laten aan Arnoldo Pambianco, wat meer een vergissing was dan een zwakte in zijn fietsen. In de Tour moest hij dus iets rechtzetten en hij deed dat aan de vooravond van de start. Doodnuchter kondigde hij aan dat hij, als het even meezat, de hele Tour in het geel zou rijden, als straf voor de hele wielerwereld.
Aan het einde van de eerste dag had hij de trui, nadat André Darrigade de eerste rit in lijn had gewonnen en Anquetil zelf de tijdrit van de middag naar zich toegetrokken had.
Sterk als nooit tevoren liet hij iedereen etappes winnen en deed hij aan verdeel-en-heers-politiek. Hij kreeg totale ondersteuning van zijn ploeg en degradeerde al zijn tegenstanders. Het geel bleef van de eerste tot de laatste dag bij Anquetil in de koffer.
Zelfs een ontketende Charly Gaul kon de grootmeester in de bergen niet verontrusten: Anquetil volgde en toen Gaul in zijn optimisme als een gek van de Cucheron afreed en behoorlijk zwaar viel, was de weg vrij voor een grootse zege van de held van Frankrijk. Hij had woord gehouden en de Tour en alle renners in een krachtige omklemming gehouden. Ik vroeg hem waarom. Zijn lach had inderdaad van James Dean kunnen zijn: melancholiek, afstandelijk, maar in de kern scherp en duidelijk. 'Ik had wat recht te zetten,'
zei hij. 'Vanwege die tactische fout in de Giro?' vroeg ik. 'Wie zegt dat het een tactische fout was?' riposteerde hij scherp, want grootheden worden, ook in hun derde of vierde leven, niet graag op zere plekken gewezen. 'Ik begreep dat u vaak achter in de groep reed,' zei ik, want dat had ik gelezen en gehoord. Anquetil keek me lang aan zonder dat hij iets zei. Hij had zeeblauwe, doordringende ogen. 'Wellicht hebt u gelijk. Ik neem aan dat u dat van een der renners uit de koers hebt vernomen... men vond in die dagen inderdaad dat ik te veel van achteren zat. Ik had geen behoefte me altijd van voren te laten zien. Een mens is van nature lui, weet u, en ik ben geen uitzondering op die regel.'
Dus zette u in de Tour die zaken even recht? Anquetil knikte: 'Goed gezien, het kostte me geen moeite, dat moet ik erbij zeggen. Revanche is een goede motivatie voor een sportman. '
Na zijn dood hoorde ik uit goede bron nog een ander deel van die revanche. Raymond Poulidor had dat jaar Milaan-San Remo en het nationaal kampioenschap gewonnen en ook dat zinde Anquetil niet; dat was te veel voor zijn ego. Dus won hij de Tour, zoals zelden vertoond.