Johnny Broers

Renners van zijn slag rijden vaak een eenzame Tour. Op een of andere manier voel ik me tot dit soort coureurs aangetrokken; veelal zijn het eenlingen, vreemden in een buitenlandse ploeg en vaak nog jong en onervaren.

Dat was Broers dus ook. Hij was topamateur, werd geflikt toen het ging om een startbewijs voor de olympische wegwedstrijd in Moskou 1980 en werd in zijn eerste profjaar opgesteld in de Splendor Wickes-ploeg van de kolossale sportbestuurder Berten de Kimpe (ruim boven de 14° kilo). Broers moest knechten in een ploeg die zo lachwekkend slecht was samengesteld dat teleurstelling slechts het gevolg kon zijn. Johan de Muynck, Claude Criquielion en Sven Ake Nilsson wilden kopman zijn en Sean KeUy wilde sprints winnen, maar daarvoor waren ook de broertjes Planckaert (Eddy en Walter) en Rudy Colman meegenomen.
Dat betekende dat Broers, een mooie, slanke coureur die prachtig op zijn fiets zat en een ware stylist genoemd mocht worden, samen met de Luxemburger Eugène Urbany moest knechten.
De kopmannen werden 7,8 en 9 in het klassement, wat niet zo beroerd was, de Planckaerts stapten vroegtijdig af en Broers werd de nummer 113 van deze Tour. Hij reed voortdurend in het rood en zag er in de slotweek doodmoe uit.
Hoewel hij het zelf niet snel zal beamen, denk ik dat hij zichzelf in precies één Tour over de kop gereden heeft en dat daardoor zijn profbestaan werd zoals het werd: er volgde een tweede Tour die precies twee dagen duurde (opgave op de Ballon d'Alsace, tekenend) en vervolgens een reis naar enkele kleine Nederlandse ploegen waar hem minimumloon en Belgische criteriums wachtten.
Broers eindigde bij Caja Rural in Spanje zijn korte en bijna rimpelloze loopbaan. Eén keer fietste hij flink in beeld: bij de Amstel Gold-race van 1985 toen hij netjes derde werd; voor de rest knechtte hij veel en goed.
Broers was zo'n voorbeeld van een renner die in één Tour over de kling gejaagd was. In principe school er een tijdrijder in hem en dat wist hij. Maar in de Tour was hij blij dat hij het leven had en hield hij zich koest in de tijdritten. In principe kon hij veel meer dan knechten en ook dat wist hij, maar hij was niet hard voor zichzelf en durfde er binnen deze ploeg ook niet voor uit te komen. Ik vroeg hem of hij aan opgeven had gedacht en hij schudde het hoofd: 'Dat kan je niet maken in je debuutjaar.'
Het ware goed geweest als het talent Broers juist wél uit koers was gehaald en goed begeleid was, ook medisch. Nu reed hij zijn loopbaan in precies drie weken naar de verdommenis, holde zijn lijf uit, kwam nooit meer op niveau en er was ook nooit iemand die hem de weg wist te wijzen. Toen we daar samen stonden reed Joop Zoetemelk langs. Joop zou die Tour vierde worden. 'Hij kent dit spel,' knikte Broers naar Joop, 'ik niet, ik heb de afgelopen weken alleen maar leren afzien.'