Rudi Altig

Hij moet een geweldige krachtpatser geweest zijn: breedgeschouderd en soms uitgerust met een vervaarlijke bebopkop. Rudi Altig was een trouwe vriend van de Tour, hoewel hij 'slechts' viermaal opstapte in de Tour, maar hij reed wel achttien dagen in het geel, won acht etappes, nam in 1962 de groene trui mee naar huis. Altig was in iedere koers een gevreesd renner. Hij reed ook succesvol in de Vuelta, waar hij in 1962 zowel dé gele als de groene trui won.

Hij was eerst meesterknecht van Jacques Anquetil, reed daarna (samen met zijn broer Willy en Ab Geldermans) voor Molteni en sloot zijn niet lange, maar wel indrukwekkende Tour-loopbaan af in het shirt van Salvarani met Félice Gimondi als kopman. In dat shirt won hij zijn laatste etappe in de Tour; de proloog van de ronde van 1969, het debuutjaar van Eddy Merckx.
Wat maakte Altig tot zo'n gevierde man in de Tour? Hij zegt: 'Ik was een Duitser die Frans sprak in Frankrijk en Italiaans in Italië en als het moest een beetje Spaans in Spanje. Er was een tijd dat ze geen Duitsers in de Tour wilden. Goddet was anti-Duits. Ik kon het echter wel met hem vinden, hij zei wel eens tegen me dat ik me als Fransman gedroeg in de Tour.'
Altig kon sprinten (hij werd ook wereldkampioen) en tijdrijden en was voor Anquetil in feite een zeer luxe knecht. Altig: 'Dat wist Jacques. Hij wilde in zijn ploeg altijd renners hebben die bijna zo goed waren als hij. En als ik dan een paar dagen de gele trui droeg, vond hij dat prettig. Dan was de druk er bij hem vanaf, zei hij altijd. Ik begreep mijn plaats in die ploeg, we verdienden goed geld, ik was succesvol en Anquetil was gewoon de baas.'
Na zijn actieve periode kwam Altig terug naar de ronde. Hij was ook nog bondscoach van Duitsland, uithangbord voor Adidas en werd, nadat hij er een tijdje uit was vanwege zware operaties (darmkariker), opgenomen in het televisieteam van de ARD. Zijn analyses waren als zijn manier van fietsen: hard, sterk en aanvallend. Altig bleek van de oude school te zijn: hij was kritisch en vond dat de hedendaagse prof beter voor zijn vak diende te leven. Niet iedereen wilde dat horen. Hij reed tegen en met Anquetil en Merckx, hij analyseerde Hinault, Indurain en Armstrong. Hij maakte de grote meneren mee, terwijl hij zelf ook bepaald geen kleintje was.
Nog een mooie anekdote? Altig: 'Jacques en ik reden de Trofeo Barrachi in 1962. Toen moest hij "ho" roepen. Dat gaf wel een lekker gevoel, als je kopman "ho" roept. Ja natürlich hebben we dort gewonnen, wass denkt du dan?' Of hij nog meer Nederlands kende. Bulderend van de lach: 'Ja... kuss me de klooten, dat leert iedere wielrenner immers!'